Begrippen

Alles wat je op deze site in in het boek leest is hoe ík naar beleggen kijk. Mijn inzichten zijn gevormd door jaren van proberen, vallen, opstaan en opnieuw beginnen. Ik pretendeer niet volledig te zijn, en ik beweer ook niet dat mijn blik de enige juiste is. Beleggen is geen exacte wetenschap; het is een wereld vol meningen, overtuigingen en interpretaties, een wereld die constant veranderd en in beweging is.

Op deze pagina heb ik de belangrijkste begrippen verzameld — ook als ze eerder al voorbij zijn gekomen — en voorzien van een korte toelichting: helder, compact en zonder opsmuk.

Zie deze begrippenlijst als een plek waar je kunt terugbladeren, even kunt landen, en stap voor stap vertrouwd raakt met de woorden die bij elke sport van de ladder horen, de ladder die je langzaam maar zeker verder brengt in beleggersland.

A

Accumulerende ETF
ETF die ontvangen dividend automatisch herbelegt.

Accumulerende klasse
Een fondsvariant die dividend automatisch herbelegt in plaats van uit te keren.

AEX / AMX / AscX / AMS Next 20
Indices die vaak als benchmark worden gebruikt voor Nederlandse aandelenfondsen.

Afgeleide producten
Producten waarvan de waarde is afgeleid van een onderliggende waarde (aandeel, index, grondstof, valuta, enzovoort).

Aflossing
Het terugbetalen van een lening of obligatie, ineens of in termijnen, op de afgesproken einddatum.

Agio
Het positieve verschil tussen de nominale waarde en de hogere uitgifte- of marktprijs.

Agioreserve
Reserve die ontstaat wanneer aandelen boven nominale waarde worden uitgegeven.

All-time high
De hoogste koers die een aandeel (of andere waarde) ooit heeft bereikt.

Alternatieve belegging
Beleggingscategorieën buiten aandelen en obligaties, zoals grondstoffen, vastgoed, private equity of crypto.

Amerikaanse stijl
Optiestijl die op elk moment tot en met expiratie kan worden uitgeoefend.

Arbitrage
Het gelijktijdig kopen en verkopen van hetzelfde product op verschillende markten om prijsverschillen te benutten.

Assignment
De toewijzing waarbij de schrijver van een optie of future verplicht wordt te leveren of af te nemen.

Authorized participant (AP)
Grote financiële instelling die ETF-eenheden kan creëren of vernietigen om de koers dicht bij de intrinsieke waarde te houden.

Automatisch sparen
Een periodieke automatische overboeking naar een spaarrekening om sparen makkelijker vol te houden.

Aandeel
Bewijs van eigendom in een onderneming; als aandeelhouder bezit je een deel van het bedrijf.

Aandelenanalyse
Het beoordelen van een aandeel op basis van bedrijfsresultaten, financiële cijfers en marktverwachtingen.

Aandeleninkoop
Wanneer een bedrijf eigen aandelen terugkoopt om het aantal uitstaande aandelen te verlagen of de koers te ondersteunen.

Aandelensplitsing (split)
Het opsplitsen van één aandeel in meerdere aandelen, waardoor de koers daalt maar de totale waarde gelijk blijft.

B

Backwardation
Situatie waarin futuresprijzen lager liggen dan de spotprijs.

Baisse / Bear market
Periode van dalende markten.

Basispunt (bps)
Één honderdste van een procent (0,01%).

Benchmark
Referentie-index waarmee het rendement van een fonds, ETF of belegging wordt vergeleken.

Betaaldatum
De dag waarop de couponrente van een obligatie beschikbaar wordt gesteld.

Beurswijziging
Wanneer een aandeel, fonds of ETF naar een andere beurs verhuist.

Bewaarloon
Kosten die een bank of broker rekent voor het bewaren van fondsen of ETF’s.

Bid-ask spread
Het verschil tussen bied- en laatprijs; bepaalt transactiekosten en liquiditeit.

Biedkoers / Laatkoers
De prijs waartegen kopers willen kopen (bied) en verkopers willen verkopen (laat).

Blockchain
Het digitale grootboek waarin alle cryptotransacties onveranderlijk worden vastgelegd.

Boeterente
Vergoeding die je betaalt als je geld eerder opneemt uit een deposito dan afgesproken.

Bonusaandeel
Extra aandeel dat een bedrijf uitkeert vanuit reserves (vaak in plaats van contant dividend).

Broker
Tussenpersoon via wie je fondsen, ETF’s, aandelen of derivaten koopt en verkoopt.

Bronbelasting
Belasting die direct wordt ingehouden op rente- of dividendinkomsten.

Bufferadvies
Richtlijn voor de minimale hoogte van een noodbuffer op basis van gezinssamenstelling en vaste lasten.

Bull market / Haussemarkt
Periode van stijgende markten.

C

Cash settlement
Afwikkeling van een derivaat in geld in plaats van fysieke levering.

Cashflow
Instroom van geld binnen een fonds of ETF (bijvoorbeeld dividend of rente).

Certificaat van aandelen
Verhandelbaar bewijs van de financiële rechten van een aandeel (vaak zonder stemrecht).

Circuit breaker
Tijdelijke handelsstop op een beurs bij te sterke koersbewegingen.

Claimemissie
Uitgifte van nieuwe aandelen waarbij bestaande aandeelhouders een voorkeursrecht krijgen.

Clearing house
Partij die zorgt voor afwikkeling, margin en risicobeheer tussen koper en verkoper.

Closed-end fonds / ETF
Fonds met een vast aantal participaties; de koers kan afwijken van intrinsieke waarde.

Collar
Strategie: long aandeel + long put + short call; beperkt risico en winst.

Contango
Situatie waarin futuresprijzen hoger liggen dan de spotprijs.

Corporate actions
Gebeurtenissen zoals dividend, splitsingen, fusies, overnames of emissies die invloed hebben op posities.

Coupon
Periodieke rentevergoeding op een obligatie.

Creation-redemption mechanisme
Proces waarmee grote partijen nieuwe ETF-eenheden creëren of teruggeven om de koers stabiel te houden.

CFD
Contract for Difference: derivaat waarmee je speculeert op koersverschillen zonder het onderliggende bezit.

Long CFD — Profiteren van stijging.
Short CFD — Profiteren van daling.
Hefboom — Grote positie met weinig eigen geld.
Margin call — Verzoek om extra geld.
Liquidatie — Automatische sluiting bij te groot verlies.

Crypto
Digitale activa zoals Bitcoin en Ethereum.

Wallet — Digitale portemonnee.
Mining — Creëren van nieuwe munten via rekenkracht.
Token — Activum op een bestaande blockchain.
Bull / Bear market — Stijgende of dalende cryptomarkt.
Volatiliteit — Zeer hoge koersschommelingen.
Liquidatie — Automatische sluiting bij hefboomposities.

D

Default
Het niet nakomen van rente- of aflossingsverplichtingen door de obligatie-uitgever.

Deflatie
Daling van het algemene prijspeil waardoor geld meer waard wordt.

Depositogarantiestelsel (DGS)
Overheidsbescherming van spaargeld tot €100.000 per persoon per bank bij faillissement.

Disagio
Negatief verschil tussen nominale waarde en lagere marktprijs van een obligatie.

Distributieklasse
Fondsvariant die dividend uitkeert aan beleggers.

Diversificatie / Diversifiëren
Spreiding van beleggingen over verschillende activa, sectoren of landen om risico te verlagen.

Dividend
Uitkering van winst aan aandeelhouders of fondsdeelnemers.

Dividendbelasting
Belasting die wordt ingehouden op ontvangen dividend.

Dividendrendement
Dividend als percentage van de koers.

Doelsparen
Sparen voor een specifiek doel (vakantie, studie, auto enzovoort).

Dow Jones / Nasdaq / Nikkei
Belangrijke internationale aandelenindices.

Drawdown
Daling van de waarde vanaf een piek naar een dieptepunt.

Duurzaam beleggen
Beleggen in bedrijven met een duurzame of ESG-gerichte bedrijfsvoering.

E

Early exercise
Vervroegd uitoefenen van een Amerikaanse optie vóór expiratie.

Edelmetalen
Grondstoffen zoals goud, zilver en platina, vaak gebruikt als waardeopslag.

Effectenbeurs
De markt waar aandelen, obligaties, fondsen en ETF’s worden verhandeld.

Efficiënte-markthypothese (EMH)
Theorie dat alle beschikbare informatie al in de koers is verwerkt.

Emerging markets
Opkomende economieën met hogere groeipotentie maar ook meer risico.

Emissie
Uitgifte van nieuwe aandelen of obligaties om kapitaal aan te trekken.

Energiegrondstoffen
Grondstoffen zoals olie, gas en steenkool.

ETF (Exchange Traded Fund)
Beursgenoteerd fonds dat een index of mandje volgt en intraday verhandelbaar is.

Accumulerende ETF — Herbelegt dividend.
Distributie-ETF — Keert dividend uit.
Fysieke replicatie — Koopt de echte onderliggende waarden.
Synthetische replicatie — Gebruikt derivaten (swaps).
Volledige replicatie — Houdt alle indexcomponenten aan.

Europese stijl
Optiestijl die alleen op de expiratiedatum kan worden uitgeoefend.

Exercise / Uitoefenen
Het gebruiken van het recht van een optie.

Expiratie
Het moment waarop een optie of future afloopt.

Exposure
Mate waarin een belegging gevoelig is voor prijsbewegingen of risico’s.

F

Faillissement
Wanneer een bedrijf zijn verplichtingen niet meer kan nakomen; obligatiehouders gaan voor aandeelhouders.

Fair value
Theoretische waarde van een future (spotprijs + rente – dividend).

Fill-or-kill (FOK)
Order die direct volledig moet worden uitgevoerd of anders vervalt.

Financieringsniveau
Het deel van de onderliggende waarde dat bij turbo’s door de uitgever wordt gefinancierd.

Fondsbeheerder
Persoon of team verantwoordelijk voor de beleggingsbeslissingen van een fonds.

Fondsstrategie
Aanpak van een fonds (groei, waarde, dividend, thematisch, etc.).

Fondsverwisseling
Administratieve wijziging van een fonds of ETF (naam, land, enzovoort).

Fusie / Overname
Twee bedrijven gaan samen of één koopt de ander over.

Futures
Een verplichting om op een toekomstige datum een onderliggende waarde te kopen of verkopen tegen een vaste prijs.

Long future — Profiteren van stijging.
Short future — Profiteren van daling.
Contango — Futureprijs hoger dan spotprijs.
Backwardation — Futureprijs lager dan spotprijs.
Roll-yield — Rendement bij doorrollen.
Mark-to-market — Dagelijkse winst/verlies verrekening.

G

Gap
Sprong in de koersgrafiek (openen duidelijk hoger of lager dan vorige slot).

Gedekt schrijven (Covered call)
Schrijven van een call terwijl je het onderliggende aandeel bezit.

Geopolitiek risico
Risico’s door politieke spanningen, oorlog of sancties.

Good-till-cancelled (GTC)
Order die blijft staan tot de belegger hem annuleert.

Groei-aandelen
Aandelen van bedrijven met sterke verwachte winstgroei.

Grieken
De maatstaven die laten zien hoe een optie reageert op veranderingen.

Delta — Gevoeligheid voor koersverandering.
Gamma — Verandering van delta.
Theta — Tijdswaardeverlies per dag.
Vega — Gevoeligheid voor volatiliteit.
Rho — Gevoeligheid voor rente.

Grondstoffen
Fysieke producten zoals olie, goud, tarwe enzovoort.

Energiegrondstoffen — Olie, gas, steenkool.
Landbouwgrondstoffen (soft commodities) — Tarwe, koffie, suiker, soja.
Edelmetalen — Goud, zilver, platina.
Spotprijs — Huidige marktprijs.
Futurescontract — Toekomstige levering.
Contango / Backwardation — Prijsstructuur.
Geopolitiek risico — Invloed van politiek en weer.

H

Haircut
Korting op onderpand bij marginberekening.

Hedge
Afdekken van risico’s met andere posities of derivaten.

Hefboom
Effect waarbij een kleine beweging sterk wordt versterkt.

Hoofdsom
Het nominale bedrag dat bij aflossing van een obligatie wordt terugbetaald.

I

Illiquide
Moeilijk verhandelbaar door lage handelsvolumes.

Immediate-or-cancel (IOC)
Order die direct (gedeeltelijk) wordt uitgevoerd; rest vervalt.

Implied volatility (IV)
Verwachte toekomstige volatiliteit zoals verwerkt in de optiepremie.

Index
Mandje van aandelen of obligaties dat een markt weergeeft.

Inflatie
Stijging van het algemene prijspeil waardoor koopkracht daalt.

Intrinsieke waarde
Werkelijke waarde van een aandeel, fonds of optie (exclusief tijdswaarde).

IPO
Eerste openbare uitgifte van aandelen van een bedrijf.

ISIN-code
Uniek identificatienummer van een aandeel, fonds of ETF.

J

Junk bonds
Hoogrentende obligaties met een lage kredietwaardigheid en een hoger risico op wanbetaling.

K

Kapitaalstructuur
Verhouding tussen eigen vermogen en vreemd vermogen van een bedrijf.

Koers
Huidige marktprijs van een aandeel, obligatie, fonds, ETF etc.

Koers-winstverhouding (K/W)
Koers gedeeld door winst per aandeel.

Kredietopslag (credit spread)
Extra rente die beleggers eisen voor kredietrisico.

L

Landbouwgrondstoffen (soft commodities)
Grondstoffen zoals tarwe, koffie, suiker en soja.

Limit order
Order die alleen wordt uitgevoerd tegen een specifieke prijs of beter.

Liquidatie
Verkoop van activa bij beëindiging van een fonds, bedrijf of positie.

Liquiditeit
Mate waarin je snel en zonder grote kosten bij je geld of belegging kunt.

Liquiditeitsrisico
Risico dat je een positie niet kunt sluiten zonder grote koersimpact.

Looptijd
Periode tot een obligatie, deposito of derivaat afloopt.

Lopende kosten (TER)
Jaarlijkse kosten van een fonds of ETF (beheer, administratie etc.).

M

Market maker
Partij die continu bied- en laatprijzen afgeeft om liquiditeit te bieden.

Marktorder
Order die direct wordt uitgevoerd tegen de best beschikbare prijs.

Mean reversion
Neiging van koersen om terug te keren naar het langetermijngemiddelde.

Midkap
Index van middelgrote Nederlandse aandelen.

Mining
Validatie van transacties en creëren van nieuwe cryptomunten via rekenkracht.

Momentum
Neiging van koersen om in dezelfde richting door te bewegen.

Moneyness
Beschrijft de relatie tussen de uitoefenprijs van een optie en de actuele koers.

In-the-money (ITM) — Heeft intrinsieke waarde.
At-the-money (ATM) — Strike ≈ huidige koers.
Out-of-the-money (OTM) — Geen intrinsieke waarde.

N

Naked schrijven
Schrijven van een optie zonder de onderliggende waarde te bezitten.

Nominale rente
Rentepercentage dat de bank noemt (zonder inflatiecorrectie).

Nominale waarde
Uitgiftewaarde van een aandeel of obligatie.

Noodbuffer
Bedrag dat je achter de hand houdt voor onverwachte uitgaven.

O

Onderliggende waarde
Het aandeel, index, grondstof etc. waarop een derivaat is gebaseerd.

Open-end fonds
Fonds dat onbeperkt nieuwe participaties kan uitgeven en innemen.

Optie
Een contract dat het recht (maar niet de plicht) geeft om een onderliggende waarde te kopen (call) of te verkopen (put) tegen een vooraf afgesproken prijs.

Call-optie — Recht om te kopen bij long en plicht om te leveren bij short.
Put-optie — Recht om te verkopen bij long en plicht om af te nemen bij short.
Long — Koper van de optie, je betaalt premie (debit).
Short — Schrijver van de optie, je ontvangt premie (credit).
Assignment — Verplichting voor de schrijver.
Exercise / Early exercise — Uitoefenen van het recht.
Expiratie — Afloopdatum.
Expected move — Verwachte koersbeweging.
Strike — Uitoefenprijs.
Optiepremie — Prijs van de optie.
Pin-risk — Risico bij exacte expiratiekoers.

Optie Strategieën

De koers van de onderliggende waarde is 30
Je ziet eerst de naam van de strategie, dan de uitleg.

Enkele poot strategieën

Long Call
Je koopt een call-optie.
→ Bullish. Profiteert sterk van stijgende koers.
Risico: beperkt tot de premie. Winst: onbeperkt.

Long Put

Je koopt een put-optie.
→ Bearish. Profiteert sterk van dalende koers.
Risico: beperkt tot de premie. Winst: bijna onbeperkt.

Short Call

Je schrijft een call-optie.
→ Neutraal tot bearish. Profiteert als koers daalt of stabiel blijft.
Risico: onbeperkt.

Short Put
Je schrijft een put-optie.
→ Neutraal tot bullish. Profiteert als koers stijgt of stabiel blijft.
Risico: groot (koers kan naar nul).

Vertical Spreads (verschillende strikes, dezelfde looptijd)
Bull Call Spread (Debit)
Long lagere strike call + Short hogere strike call (zelfde expiratie).
→ Matig bullish. Beperkt risico en beperkt winstpotentieel.

Bear Put Spread (Debit)
Long hogere strike put + Short lagere strike put (zelfde expiratie).
→ Matig bearish. Beperkt risico en beperkt winstpotentieel.

Bear Call Spread (Credit)
Short lagere strike call + Long hogere strike call (zelfde expiratie).
→ Matig bearish / neutraal. Ontvangt premie.

Bull Put Spread (Credit)
Short hogere strike put + Long lagere strike put (zelfde expiratie).
→ Matig bullish / neutraal. Ontvangt premie.

Time & Diagonal Spreads (verschillende looptijden)
Calendar Spread (Time Spread)
Long optie met verre expiratie + Short optie met nabije expiratie (meestal dezelfde strike).
→ Neutraal. Profiteert van tijdverval en lage volatiliteit.

Diagonal Spread
Long optie (verre expiratie) + Short optie (nabije expiratie) met verschillende strikes.
→ Kan bullish of bearish zijn, afhankelijk van de gekozen strikes.

Volatiliteitsstrategieën
Long Straddle
Long call + Long put met dezelfde strike en dezelfde expiratie.
→ Verwacht grote beweging (omhoog of omlaag). Duur, maar hoge volatiliteit gewenst.

Short Straddle
Short call + Short put met dezelfde strike en dezelfde expiratie.
→ Verwacht rustige, stabiele markt. Hoog risico.

Long Strangle
Long call (hogere strike) + Long put (lagere strike), dezelfde expiratie.
→ Goedkopere versie van straddle. Heeft grotere beweging nodig om winst te maken.

Short Strangle
Short call (hogere strike) + Short put (lagere strike), dezelfde expiratie.
→ Verwacht rustige markt. Iets minder risico dan short straddle.

Butterfly Strategieën
Long Butterfly
Long 1 lage strike + Short 2 middelste strike + Long 1 hoge strike (zelfde expiratie).
→ Verwacht hele kleine beweging rond de middelste strike. Zeer laag risico.

Short Butterfly
Short 1 lage strike + Long 2 middelste strike + Short 1 hoge strike (zelfde expiratie).
→ Verwacht grote beweging (omhoog of omlaag).

Iron Butterfly
Short call + Short put (zelfde strike) + Long hogere call + Long lagere put.
→ Neutraal. Profiteert van lage volatiliteit en tijdverval.

Condor Strategieën
Long Condor
Long lage strike + Short iets hogere + Short nog hogere + Long hoogste strike (zelfde expiratie).
→ Verwacht dat de koers binnen een breed bereik blijft. Zeer laag risico.

Iron Condor
Short call spread (bear call) + Short put spread (bull put) – alle vier opties dezelfde expiratie.
→ Zeer populaire neutrale strategie. Profiteert van stabiele koers en tijdverval. Beperkt risico.

Beschermings- en inkomensstrategieën
Covered Call
Long aandeel + Short call (meestal out-of-the-money).
→ Inkomensstrategie. Extra premie, maar beperkt opwaarts potentieel.

Protective Put (Married Put)
Long aandeel + Long put.
→ Bescherming tegen daling (als een verzekering).

Collar
Long aandeel + Long put (bescherming) + Short call (om de put te financieren).
→ Goedkope bescherming. Beperkt zowel downside als upside.

Order Types
Manieren om orders in te leggen op de beurs.

Market order — Direct tegen beste prijs.
Limit order — Tegen specifieke prijs of beter.
Stop-loss — Sluiten bij verliesniveau.
Take-profit — Winst nemen bij winstniveau.
Trailing stop — Meebewegende stop-loss.
GTC — Blijft staan tot annulering.
FOK / IOC — Directe uitvoeringseisen.

Overtrading
Te vaak handelen, vaak gedreven door emotie.

Overwaardering
Wanneer een belegging boven zijn theoretische waarde noteert.

P

Pari
Wanneer een obligatie of aandeel precies tegen nominale waarde noteert.

Penny stocks
Aandelen met een zeer lage koers.

Pin-risk
Risico dat de koers op expiratie precies op de strike eindigt.

Position sizing
Bepalen van de juiste omvang van een positie om risico te beheersen.

Premie
Wanneer een belegging boven de nominale of intrinsieke waarde noteert.

Private equity
Investeringen in niet-beursgenoteerde bedrijven.

Prospectus
Officieel document met alle voorwaarden, risico’s en kenmerken van een beleggingsproduct.

Protective put
Aandeel + long put als bescherming tegen koersdaling.

Psychologische drempelbedragen
Mentaal belangrijke bedragen bij sparen (€1.000, €10.000 etc.).

Q

R

Reële rente
Nominale rente minus inflatie; geeft de echte groei van koopkracht.

Rekeningcourant
Betaalrekening met meestal geen of zeer lage rente.

Rekening-naar-rekening risico
Risico dat spaargeld boven €100.000 bij dezelfde bank niet volledig beschermd is.

Rendement
Opbrengst (rente, dividend, koerswinst) ten opzichte van de inleg.

Rentabiliteit
Winst van een onderneming als percentage van het eigen vermogen.

Rente
Vergoeding voor het uitlenen van geld.

Rentevormen
Vaste rente — Rente blijft gelijk gedurende de looptijd.
Variabele rente — Rente kan wijzigen.
Rente-op-rente — Rente op rente-effect of samengestelde rente.

Revaluatie
Officiële stijging van de waarde van een valuta.

Risico-aversie
Voorkeur voor zo min mogelijk risico.

Roll-yield
Extra rendement (of verlies) bij het doorrollen van futures.

S

Saldo
Bedrag dat op een rekening staat.

Settlement
Afwikkeling van een transactie (levering en betaling).

Short squeeze
Krachtige stijging doordat shortposities gedwongen worden gesloten.

Skew
Verschil in premies tussen verschillende uitoefenprijzen.

Spaardeposito
Vastzetten van geld voor een vaste periode tegen vaste rente.

Spaardiscipline
Het vermogen om regelmatig te sparen en niet onnodig op te nemen.

Spaarrente-marge
Verschil tussen rente die banken ontvangen en uitkeren.

Speciaal dividend
Eenmalige extra dividenduitkering.

Spin-off
Afsplitsen van een bedrijfsonderdeel tot een nieuw beursgenoteerd bedrijf.

Spotprijs
Huidige marktprijs voor directe levering.

Spread
Verschil tussen bied- en laatkoers, of tussen twee obligatierentes.

Spreiding
Verdelen van spaargeld of beleggingen over meerdere banken of activa.

Stresstest
Test hoe een belegging presteert onder extreme omstandigheden.

Strike (uitoefenprijs)
Prijs waartegen een optie mag worden uitgeoefend.

Strip
Splitsen van een obligatie in aparte coupon- en hoofdsomdelen.

Subordinated (achtergesteld)
Obligaties die pas na andere schuldeisers worden uitbetaald.

Swing pricing
Aanpassing van fondsprijs bij grote in- of uitstroom om bestaande beleggers te beschermen.

T

Take-profit order
Order die automatisch winst neemt bij een bepaald niveau.

Termijn (kort-middel-lang)
Beleggingshorizon.

Technische analyse
Het analyseren van koerspatronen en indicatoren om toekomstige prijsbewegingen te voorspellen.

Candlestick — OHLC-grafiek.
Volume — Verhandeld volume.
Steun & Weerstand — Belangrijke niveaus.
Moving Average (SMA/EMA) — Voortschrijdend gemiddelde.
MACD, RSI, Bollinger Bands — Populaire indicatoren.
Fibonacci retracement — Steun/weerstandsniveaus.
Head and Shoulders — Omkeerpatroon.

Token
Digitaal activum op een bestaande blockchain.

Track record
Historische prestaties over meerdere jaren.

Tracking error
Afwijking tussen het rendement van een fonds/ETF en zijn benchmark.

Trailing stop
Stop-loss die automatisch meebeweegt met de koers.

Turbo
Hefboomproduct met knock-out risico.

Turbo Long — Profiteert van stijging.
Turbo Short — Profiteert van daling.
Financieringsniveau — Knock-out niveau.
Hefboom — Versterking van de beweging.
Knock-out — Verlies van (bijna) de gehele waarde.

U

Uncovered position
Positie zonder hedge; volledig blootgesteld aan koersrisico.

V

Valutarisico
Risico door schommelingen in wisselkoersen.

Value-aandelen
Aandelen die relatief laag gewaardeerd zijn ten opzichte van hun fundamentals.

Volatiliteit
Mate van koersbewegingen; hoge volatiliteit = hoger risico.

Volledige replicatie
ETF die alle onderliggende waarden van een index één-op-één aanhoudt.

W

Wallet
Digitale portemonnee voor het bewaren van cryptocurrency.

Wisselkoers
Waarde van één valuta ten opzichte van een andere.

Witching
Momenten waarop meerdere derivaten tegelijk expireren.

Enkele witching – expiratie van één derivatensoort.
Double witching – expiratie van twee derivatensoorten tegelijk.
Triple witching – expiratie van drie derivatensoorten tegelijk.
Quadruple witching – expiratie van vier derivatensoorten tegelijk; de meest volatiele variant.

X

Y

Yield curve (rentecurve)
Grafiek die rentepercentages toont voor verschillende looptijden.

Yield
Rendement, vaak gebruikt bij obligaties en ETF’s.

Z

Zero‑coupon obligatie
Obligatie zonder couponrente; de winst ontstaat uit het verschil tussen aankoopprijs en aflossing.